Mollenvangen

De jager Wiebe Jelles Sijtsema (1872-1958) met een Wetterhounachtige hond (een Durk). Hij jaagde in hoofdzaak op hazen en eenden. De familie Sijtsema had een kruidenierswinkeltje in Rotstergaast. Daarnaast was Sijtsema boerenknecht. (Met dank aan mevrouw L. Bloem-Sijtsema uit Joure.) Familie Sijtsema ©

 

De mol

De mol, Talpa europaea, is een ondergrondse wroeter en een zoogdier. In de twintigste eeuw was het mollenvangen niet altijd wettelijk toegestaan. Toch veroorzaakte hij dusdanige schade, met name aan de landerijen van veehouders en andere grondeigenaren, dat mollenvangers in bepaalde tijden een extra bijverdienste hadden. Volgens informatie van de professionele mollenvanger Johan Jonker uit Amersfoort kwamen mollen oorspronkelijk voor in het bos. Ze leven in weilanden, maar ook in parken, gazonnen, tuingrond en moestuinen.

Mollenvangers

In de laatste decennia van de negentiende eeuw kwamen op tentoonstellingen steeds meer buitenlandse hondenrassen naar voren zoals de Duitse Staande Hond en Engelse- en Ierse Setters. Deze rassen verdrongen Nederlandse honden als de Wetterhoun en de Stabij als jachthond. Toen er na 1900 meer vraag kwam naar het bont van de mol en de bunzing, werden de Friese hondenrassen weer meer gefokt.

Dominee J.J. Kalma (1907-1991), die in de tweede helft van de twintigste eeuw over talloze Friese onderwerpen schreef, veronderstelt in Om Gysbert Japiks hinne dat het mollenvangen waarschijnlijk reeds in de zeventiende eeuw voorkwam. In de negentiende eeuw was de mollenvanger in dienst van de boer en verdiende hij een paar schamele centen. Van een echte handel in mollenvelletjes was nog geen sprake. Naarmate bont als luxeartikel in de periode 1890-1900 meer in zwang kwam, nam de handel in het product toe. Na 1904 stegen de prijzen totdat in 1910 vijftien cent voor een velletje werd betaald.

De mollenvangers kwamen met name uit de Friese Wouden; vanouds een heidestreek met een onvruchtbare bodem die gekenmerkt werd door veel armoede. De bevolking heeft een wat vrijere mentaliteit dan die op de kleistreek. Deze aspecten waren mede bepalend voor het feit dat ‘de Wâldsjers’ geen vast werk hadden (en wilden). Dat kwam soms goed uit, want het mollenvangen was in de jaren dertig van de vorige eeuw lucratiever dan de werkverschaffing. Op de klei en in de Zuidwesthoek ging het arme deel van de bevolking minder op jacht. Die groep was als knecht gebonden aan het werk op de boerderij in de veehouderij. In de meeste gevallen waren het ‘Wâldsjers’ die de Stabij gebruikten als mollenhond.

De mollenjagers waren genoodzaakt hun werkgebied te verplaatsen naar buiten ‘it heitelân’. Met name tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam er veel vraag naar het bont van de mol en de bunzing uit Amerika. Maar Friesland werd als het ware ‘doodgejaagd’ en de ‘Wâldsjers’ fietsten tot ver buiten de provincie om mollen te vangen. De lange tochten tot in Gelderland waren te zwaar voor de toenmalige mollenhonden. De honden liepen naast de fiets van de baas, maar waren te zwaar om zeer lange afstanden af te leggen. Het kwam veelvuldig voor dat de honden verwondingen aan de zolen en de voeten opliepen. Daarom werd een type hond gefokt dat nogal klein van stuk was en in een mand of soms in een kist mee vervoerd kon worden. De Stabij van een groter formaat en de Wetterhoun kwamen zodoende verder buitenspel te staan.

In het begin van de twintigste eeuw werd aan het mollenvangen gedurende enkele decennia goed verdiend, hoewel het lang niet altijd was toegestaan. Mollenvangers waren arbeiders zonder vaste baan. Als seizoenarbeiders en dagloners waren zij op vele terreinen werkzaam. De mannen waren actief in de vervening of meldden zich aan bij de werkverschaffing om de heide te ontginnen. Als de hooitijd in de zomer aanbrak, werkten ze bij boeren in de Friese Greidhoek. In het najaar waren velen aangewezen op de inkomsten uit het werk bij de Groningse en Friese landbouwers. ‘De Wâldsjers’ hielpen mee bij het oogsten van aardappelen, vlas en bieten. Als de wintertijd aanbrak, verdienden zij er met het vervaardigen van bezems, matten of bijenkorven iets bij. De mollenvangers vormden een groep die de inkomsten uit de mollenvangerij nodig had om de winter door te komen. Volgens de mollenvanger Anders Bijma zijn er zelfs tijden geweest dat met name de bevolking van Houtigehage, Boelenslaan en Opeinde grotendeels afhankelijk was van de inkomsten van de mollenvelletjes. De hoogste prijzen voor de mollenvelletjes werden betaald gedurende de Eerste Wereldoorlog. Zo werd in 1914 voor een velletje twee kwartjes betaald en vijf jaar later zelfs een daalder tot twee gulden.