Bunzingjacht

Anne Bergsma met Wetterhoun Bello, die een uitstekende 'murdehoun' was. Familie Bergsma ©

De bunzing

Zeker honderden en wellicht een paar duizend Friezen oefenden in de twintigste eeuw de bunzingjacht of ‘it murdzjen’ uit. Overal door de provincie werd de bunzing bejaagd. Maar in andere delen van het land vond de bunzingjacht ook plaats, onder meer in Noord-Brabant en in het uitgestrekte natuurgebied de Biesbosch. De prijs van de pels van de bunzing was voor veel jagers een welkome aanvulling op het vaak armoedige bestaan van de jagers. Uit onderzoek blijkt dat de pels vaak een flinke prijs opbracht, hoewel de bedragen die door de oudere bunzingjagers of door hun zonen worden genoemd niet altijd een betrouwbaar beeld opleveren. De bunzingjager of ‘murdejeier’ verkocht de pels - Friezen gebruiken ook wel het woord vel van de bunzing of ‘murd’- veelal door aan een handelaar, die het vervolgens op de veemarkt verkocht.

Met name tijdens de crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de jacht op de bunzing veelvuldig voor. Het ‘murdzjen’ was, anders dan de jacht op mollen, toegestaan omdat de oude jachtwet van 1923 bepaalde dat de bunzing een schadelijk dier was. De wet schreef verder voor dat bij deze jachtvorm geen geweer gebruikt mocht worden. In de oorlogsjaren 1940-1945 bracht een bunzing maar liefst gemiddeld dertig gulden op. Maar de jacht op de bunzing was een riskante bezigheid vanwege de door de bezetters ingestelde avondklok. Pieter Bijker werd in 1922 bij Ureterp geboren in een huisje dat nauwelijks meer comfort had dan een spitkeet. ‘Toen ik zes jaar was, ving ik al met mijn hond de eerste bunzing,’ zegt Pieter met enige trots. Hij kocht van het geld voor elf stuivers een paar nieuwe klompen. In de Tweede Wereldoorlog bracht een ‘murd’ wel ‘fjirtich gûne’ op.

Anne Bergsma, in de vorige eeuw jarenlang werkzaam op een baggerschip op de Friese meren, had een gezin met negen kinderen. ‘De inkomsten van de bunzingjacht konden wij erg goed gebruiken want er werd armoede geleden,’ aldus zijn zoon Chris Bergsma. Daarnaast kocht zijn vader bij allerlei jagers vellen op van mollen, hermelijnen, wezels en bunzingen. ‘Hij fietste vanuit zijn woonplaats Noardburgum naar Harkema maar ook wel naar Ureterp. Ik bracht als jongen van een jaar of zestien, zo rond 1960, in een zak de vellen naar de Leeuwarder veemarkt op vrijdag. De allerbeste bunzingvellen leverden destijds achttien gulden per stuk op. De vellen van mindere kwaliteit brachten veertien, vijftien gulden op. En naarmate het kouder werd, werden de vachten mooier.’

De bunzing is een tot de marterachtigen behorend nachtdier. De kop en het lichaam van de bunzing hebben een lengte van ongeveer veertig cm en een staart van vijftien cm. ‘De bovenzijde is lichtbruin, de onderzijde donkerder en de staart bijna zwart. Typisch en kenmerkend is de witte snuit en de lichte rand boven de ogen en vóór de ronde ogen.’ Hij voedt zich met konijnen, ratten, mollen, muizen, kikkers en jonge vogels. Het roofdier leeft bij voorkeur in een kleinschalig landschap waar het een schuilplaats zoekt in verlaten holen van vossen, konijnen of dassen. Holen van bunzingen kwamen ook voor onder steenhopen of onder een houtmijt. In de winter is het dier vaak te vinden op het erf van een boerderij. Af en toe duiken er in de media berichten op dat een bunzing een hele ren met kippen heeft uitgemoord. Het dier staat om die reden als moorddadig te boek. Ten onrechte, vindt bioloog en vogelkenner Johan de Jong. Wanneer een bunzing in het kippenhok zijn prooi doodt en deze naar buiten wil slepen, breekt vaak de hel los. Uit paniek doodt ‘de murd’ daarop veelal alle kippen. Dat is iets anders dan een koelbloedige slachtpartij. Tijdens de jacht kwam het voor dat de bunzing de Wetterhoun of de jager beet; hij ‘gnjirdet’, dat wil zeggen het beest bijt zich langzaam vast in bijvoorbeeld de neus van de hond. Als dit voor kwam werd de bunzing in de keel geknepen totdat hij losliet.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw ging Sjoerd Riemersma als jonge knaap met de gebroeders Popma op bunzingjacht op de eilanden aan de Goïngarijpster Poelen en het Sneekermeer. ‘Een bunzing is een zeer goede zwemmer. Ik heb wel eens een moeder met een aantal jongen zien zwemmen,’ aldus Riemersma. Het is bij veel bunzingjagers bekend dat een bunzing een prooi kilometers kan verslepen. Er wordt gezegd dat hij doorgaans niet jaagt op het ‘eigen’ erf. Een familielid van visser Thijs Jagersma in Hieslum had bunzingen onder de vloer. ‘Maar de kippen op het eigen erf lieten ze met rust.’

De bunzing of mustela putorius wordt in Brabant ‘uiling’ genoemd en aan de Belgische grens ‘fis’, aldus Jan l’Abee die 54 jaar bunzingvanger was. ‘Ulk’ in Twente, ‘onsel’ langs de IJssel en ‘meert’ in Groningen, terwijl de Engelse benaming ‘polecat’ is. De publicatie Het jachtbedrijf in Nederland vermeldt verder dat er twee redenen zijn waarom bunzingen stinken. Ten eerste vreten de jongen door de ouders gebrachte konijnen en ander veroverd wild. De voedselresten beginnen te stinken waardoor soms een andere schuilplaats wordt gezocht. Daarnaast heeft de bunzing een stinkklier die wordt gebruikt als er gevaar dreigt.

De bunzingjagers

Bunzingjagers worden ook wel bunzingvangers genoemd. Het is bekend dat met name in de Friese Wouden op de bunzing werd gejaagd. Ook in de andere delen van de provincie werd deze marterachtige bejaagd. Pieter Bijker heeft een interessante kijk op de bunzingjacht op de klei en in de Woudstreek van Friesland: ‘Met een matig getrainde hond kan je op de kale Friese klei beter een bunzing vangen dan in het Woudengebied met een groep honden. Hier kan de bunzing zich veel beter verschuilen, zoals bijvoorbeeld in allerlei boomwallen.’ De familie Spoor ging te ‘murdzjen’ in de omgeving van Arum een dorp tussen Bolsward en Harlingen. Joris Spoor (1886-1963) jaagde met zijn zonen Sijbolt en Hennie op de bunzing. ‘Onze Wetterhoun/Stabij beschikte over een perfecte neus en verschalkte bunzingen, hermelijnen en wezels,’ vertelt de in Sneek woonachtige Hennie Spoor. ‘We gingen eens op bunzingjacht richting Achlum. Al snel kwamen we bij een boerderij. Mijn vader wist dat de boer varkens hield. Bijke, zo heette onze hond, rook door de varkenslucht een bunzing, die verscholen zat achter een stapel spoorbielzen. Sijbolt en ik lichtten de bielzen op, waarna de bunzing langs mijn vader vluchtte en zijn heil zocht in een holle boom. Op het geblaf van Bijke kwam de boer met zijn knecht af. Met een geleende bijl van de boer werd een gat in de boom geslagen. De bunzing vluchtte weer en de hond pakte de bunzing in de lendenen. De bunzing greep daarop onze hond in de neus, die hevig begon te bloeden. Sijbolt greep de bunzing bij de keel die daarop losliet. De hond doodde alsnog de bunzing en had zich dus door de beet zijn neus niet helemaal uit het veld had laten slaan.

De vissers Hendrik Jagersma (1850-1916) en zijn zoon Feike Jagersma (1899-1980) waren bunzingjagers in de uitgestrekte landerijen rondom de Oudegaaster Brekken richting Nijhuizum en in de Sandfirder Ryp. ‘Mijn pake Hendrik zette met name vallen uit. Beslist geen klemmen, want dan kon de kostbare pels beschadigd raken. Op de voor hem bekende plaatsen in de hokken van een vervallen boerderij of bij een oude molen plaatste hij de vallen. Als de bunzing uit de val werd ‘bevrijd’, beet de wetterhûn het beest dood.’ De vader van de zestiger Chris Bergsma, Anne Bergsma ging met de Wetterhoun Bello op bunzingjacht. ‘Vanuit Burgum ging heit met Bello aan de fiets vaak tot achter Dokkum op bunzingjacht. Het kwam voor dat Bello wel eens één tot anderhalf uur wegbleef en met een gedode bunzing in de bek terugkwam,’ aldus Chris Bergsma.

Jelle de Boer (1911-2002) geboren in It Heidenskip, en later woonachtig in Gaastmeer had altijd Wetterhounen die hij Pollo of Bijke noemde. ‘Mijn vader gebruikte de Wetterhoun voor de jacht op de bunzing,’ aldus zijn zoon Matthijs de Boer uit Rottum. Zijn vader ging in de herfst en de winter op bunzingjacht. Meestal deed hij dat samen met Jehannes Attema, de schilder van Gaastmeer. De mannen gingen om acht uur in de avond op pad en kwamen tussen een en drie uur in de nacht thuis. Ook Matthijs de Boer ging op bunzingjacht in de omgeving van Gaastmeer, langs het Heegermeer en de poelen tussen Idzega en Heeg. ‘Ik jaagde de bunzing altijd aan de waterkant. Volgens mij jaagde hij onder meer op eenden. En op het vlakke land waren de bunzingen gemakkelijker te vangen dan in de hokken of stapels hout op een boerenerf.’ Hij trof eens een bunzing aan in een varkenshok. De bunzing had zich verscholen onder het riet van de dakpannen. ‘Ik drukte een pen door het dak waarop de bunzing het dak op vluchtte. Met de polsstok duwde ik de bunzing van het dak, die daarop door de wetterhûn werd gedood. Als het vroor ging ik niet op bunzingjacht, want dan was het spoor van de bunzing moeilijk te volgen. Als het boven nul was, bleef het spoor veel langer hangen.’ Matthijs de Boer heeft in zijn huidige woonplaats Rottum ‘de man van de vier jaargetijden’ als bijnaam, omdat hij altijd in het veld is te vinden. ‘Vissen, mollenvangen, kievitseieren zoeken en de nazorg, zijn mijn hobby’s.’

In de omtrek van Smallingerlandse dorpen was in vroeger jaren eens een bunzingvanger actief. Hij gebruikte klemmen om de bunzingen te vangen. De bunzingvanger had wel altijd zijn jonge Wetterhoun bij zich, die aan de fiets meeliep. De Wetterhoun was beslist geen stoer exemplaar, want hij ging voor een gewone huiskat al op de loop. Op zekere dag haalde de bunzingvanger twee bunzingen uit zijn klemmen. Een goede vangst voor die dag. Hij ontmoette in het dorpscafé enkele bekenden, die in de veronderstelling waren dat de jonge wetterhûn de bunzingen onschadelijk hadden gemaakt. ‘Jij hebt een beste hond,’ zo zeiden ze. Een tijdje later was de bunzingvanger weer succesvol, want hij ving vier bunzingen. De mannen in het café waren nu helemaal onder de indruk van de prestaties van de Wetterhoun. ‘We willen je hond wel kopen,’ klonk het. ‘Daar komt niets van in, zo’n hond als deze is er geen tweede,’ zei de bunzingvanger. De bunzingvanger ving nog drie bunzingen en nam uit zijn hok nog drie mee. Met de zes bunzingen en zijn wetterhûn toog hij weer naar het café. De dorpelingen keken hun ogen uit. Dat was pas een hond met kwaliteiten. Omdat iedereen wist dat de pels van een bunzing goed geld opbracht, bracht een goede bunzinghond een hoog bedrag op. Eén van de mannen bood maar liefst 250 gulden voor de Wetterhoun en hij wilde direct betalen en de Wetterhoun hebben. De bunzingvanger speelde het spel slim en ging schoorvoetend akkoord.

Hij kwam zonder Wetterhoun bij zijn vrouw thuis en beloofde haar nooit weer in het café te komen.