Wetterhoun Kobus in typisch Nederlands decor. Rob de Groot ©
Kopstudie Wetterhoun Kobus. Rob de Groot ©
Abe fan 'e Snitsermar van fokker Jan Kroon. Deze reu werd in 1962 Nederlands Kampioen. Familie Kroon ©
Berend fan 'e Otterhounen, één van de eerste bekende Wetterhounreuen uit de jaren vijftig, de familie Valic uit Landsmeer fokte deze hond. Collectie Wiebe Dooper
Een bruine jonge reu van een half jaar jong, circa 1947. Collectie Wiebe Dooper

De Wetterhoun of de Broek van de Koddebeier (1922)

Die Douwe, dat was zoo’n vroolijke kwant Hij was gek op Friesche blondjes,
Hij trok met den buks door ’t Friesche land
En kneep in hun malsche kontjes.
Maar waar hij ging of waar hij stond
Daar volgde zijn trouwe wetterhond.

En kwam die Douwe bij Dikke Sien,
Dan most-ie effe kouten.
Dan zoende-n-ie d’r wel in d’r bouten
En op het achtererf daar stond,
Neus in den wind, de wetterhond.

En Douwe die kwam ook steeds bij Trien.
Hij haalde ook daar zijn gerief;
En blonde Femke van boer Martien,
Ook Femke, dat was er zijn lief.
Maar steeds op de deel, op den achtergrond
Zat zijn brave, trouwe wetterhond.

En laat ie nou juist bij Femke, dat wijf,
Overdag in de bedstee liggen
En allebeide geen draad an ’t lijf
Zoo bloot als twee jonge biggen,
Mèt komt die boer en hij kijkt in het rond
En dààr staat die grommende wetterhond.

En mèt ziet de boer die groene broek
Met die groene jachtbretellen,
Of hij grijpt ernaar met een wilden vloek,
Maar voor ik het kan vertellen
Is daar die gretige hapklare mond
Van dien grimmigen, duivelschen wetterhond.

De boer trok vol woede de vork uit het hooi,

Maar de hond, die was al verdwenen;
Die bracht er de broek, nog heel net in de plooi,
Naar het huisje van Douwe henen;
En alle vrouwtjes daar in het rond,
Die gilden: ‘Da’s Douwe z’n broek met z’n hond!’

Een tiental meter er achteran
Tot vreugde van alle menschen
Daar holde een vrouw en daar holde een man
Met spiernakend bloote pensen
En die boer holde mee en stak menige wond
In Femke d’r billen en Douwe z´n kont.

En toen kwam de optocht bij Douwe z’n huis
En kroop Douwe achter z’n vrouw,
Daarachter kroop Femke, zoo stil als een muis
En de boer gaf een stevigen douw.
En daar sprong naar voren die woedende hond
Die smakte den boer met zijn vork op den grond.

Daar lag die boer weeloos vlak onder dat beest
Met die tanden zo akelig dichtbij.
Martien gaf zich over en vroeg dan bedeesd
Voor zijn nakende gade een sprei.
Ze vertrokken toen samen, ’t gelaat naar den grond
En achter hen gromde de wetterhond.

En Douwe kreeg toen nog een moeilijk moment,
Maar eens moest de hond in zijn hok
En toen sloeg de vrouw haar wellustigen vent
Op z´n bast met den beerenstok,
En Douwe trekt nog steeds in ’t polderland rond
Maar hij is nu zo trouw als zijn wetterhond.

Dit liedje dook in 1922 ergens op in een kleine Friese herberg.
De schrijver ervan is onbekend.